Laatste twee executies in 1952 De doodstraf in Nederland

  • 11 maart 2010
<p>De Duitser Wilhelm Artur Albrecht en de Nederlander Andries Pieters, die als laatste in Nederland de doodstraf kregen</p>
Zoom
<p>De Duitser Wilhelm Artur Albrecht en de Nederlander Andries Pieters, die als laatste in Nederland de doodstraf kregen</p>

In Nederland werd de doodstraf in 1952 voor het laatst voltrokken. Toch was deze nog niet compleet verboden op Nederlands grondgebied, want op de Nederlandse Antillen bestond de doodstraf nog - op papier tenminste. Deze wordt nu compleet afgeschaft, aldus Statenvoorzitter Pedro Atacho. Andere Tijden maakte een aflevering over deze uiterst omstreden straf.

De laatste executie werd uitgevoerd op 21 maart 1952. Die dag stonden er twee oorlogsmisdadigers tegenover het vuurpeloton: de Duitser Wilhelm Artur Albrecht en de Nederlander Andries Pieters. Ze waren de laatsten van de 39 oorlogsmisdadigers (38 mannen en één vrouw) die na de Tweede Wereldoorlog door de staat zijn geëxecuteerd.

De doodstraf was al in 1870 afgeschaft, maar werd in 1945 opnieuw ingevoerd voor de bestraffing van oorlogsmisdadigers. Tijdens de bezetting had de regering in ballingschap besloten dat er na de bevrijding speciale maatregelen moesten komen voor de bestraffing van oorlogsmisdadigers en collaborateurs. Er kwam een Bijzondere Rechtspraak én er kwam een bijzondere straf voor de allerzwaarste oorlogsmisdadigers: de doodstraf.

De eerste stap was het maken van een scheiding tussen de relatief lichte zaken en de zware, die van de echt grote oorlogsmisdadigers. De lichte zaken gingen naar een van de oorlogstribunalen; de zware naar een van de acht Bijzondere Gerechtshoven.

Dat streven naar zorgvuldigheid had wel een keerzijde. De regering had beloofd dat de berechting van oorlogsmisdadigers ‘snel, streng en rechtvaardig’ zou gebeuren. Zeker het eerste streven – snelheid – is niet gehaald. Weliswaar waren er kort na de bevrijding al een paar grote oorlogsprocessen (zoals dat tegen Mussert, eind 1945), maar mensen als Pieters en Albrecht stonden pas in 1949 voor het eerst in de rechtszaal. Vier jaar na de bevrijding.

Na het eerste vonnis volgde er een periode van beroep - of cassatie, zoals het toen heette - en daarna kwam het lange wachten op de uitslag van de gratieverzoeken. Zo kon het gebeuren dat nog in maart 1952 twee mannen werden geëxecuteerd, voor misdrijven die ze in het laatste oorlogsjaar hadden gepleegd.

De processen voor het Bijzonder Gerechtshof waren geweldig populair, vooral als er een grote oorlogsmisdadiger terecht stond. Iedereen wilde erbij zijn om het wonder van de gerechtigheid met eigen ogen te aanschouwen.

Direct na de oorlog was praktisch heel Nederland voor de doodstraf. Maar naarmate de oorlog langer geleden was, begon de steun voor de doodstraf langzaam af te brokkelen. Zeker toen in 1950 ook nog eens de paus zich tegen de doodstraf uitsprak.

In totaal is na de oorlog 154 keer de doodstraf opgelegd. Daarvan zijn er slechts 39 voltrokken. Twee veroordeelden pleegden zelfmoord, twaalf bleven voortvluchtig en maar liefst honderd en één kregen gratie. De meerderheid, kortom, zag de doodstraf omgezet in levenslang. Dat was bewust beleid van de regering.

In een geheime richtlijn van 1946 legde ze vast, dat executie van enkele oorlogsmisdadigers weliswaar noodzakelijk was als vergelding voor het doorstane leed, maar dat het er vooral niet teveel moesten worden. Een al te groot aantal executies zou slecht zijn voor de moraal, en moest door middel van gratie worden voorkomen.

reacties