Voorgoed ongeschikt

  • 17.11.2010
Jeroen Krabbé
Vergroten
Jeroen Krabbé

Hij brak zijn potlood doormidden en barstte in een hartverscheurende huilbui uit: Jeroen Krabbé, jáááren geleden, tijdens de dienstkeuring. En met succes: hij kreeg S 5, het door velen felbegeerde bewijs van ongeschiktheid voor het leger. Kijk naar de keuringsavonturen van Krabbé, Henk Krol, Henk Bernlef en vele anderen. Heeft u zelf een mooi S 5-verhaal? Mail het naar info.anderetijden@nps.nl

Smeer de bilnaad in met pindakaas en neem regelmatig een likje of breng je teddybeer, je moeder of -nog beter- een schaap mee naar de keuring. Een week niet eten zorgt dat je onder de handen van de keuringsarts bijna flauwvalt en het eten van een kilo drop stuwt je bloeddruk tot gevaarlijk hoge waarden op.

Iedere jongen aan de vooravond van zijn militaire keuring had wel een paar trucs paraat die geheid tot afkeuring zouden leiden. Het voorwenden van fysieke klachten was populair maar eenvoudig te ontmaskeren. Een zwarte tong wees al snel op overmatig dropgebruik en slechte ogen, rug of gehoor moesten al in dossiers bij artsen zijn vastgelegd.

Makkelijker was het om psychische klachten te simuleren: stotteren, hysterisch lachen en asociaal gedrag. Consequent volhouden van dit gedrag leidde in veel gevallen tot afkeuring. Dienstplichtige Rob Schmitz herinnert zich zijn keuring in 1968 als de dag van gisteren. “Ik zei tegen de indelingsofficier dat ik wel bij de cavalerie wilde omdat ik van dieren hield en best met paarden wilde werken. Hij keek me vol onbegrip aan. Toen wist ik dat S5 tot de mogelijkheden behoorde. Het hielp natuurlijk dat ik lijkbleek was van slaapgebrek en dat ik een veel te kleine, hoornen ziekenfondsbril droeg waarvan de veren niet eens in de buurt van mijn oren kwamen.” Toch was afkeuren op S5 een risico. Het verhaal ging namelijk dat je met S5 een glansrijke carrière in de ambtelijke wereld of baan als docent of zelfs als postbesteller kon vergeten.

ABOHZIS

Keuring
Zoom
Keuring

De afgelopen decennia werden tussen de negentig en honderdtwintigduizend jongens opgeroepen om gekeurd te worden in een van de zeven indelingsraden in het land. Geografisch handig verspreid over het hele land in Deventer, Utrecht, Amsterdam, Delft, Breda, Groningen en Roermond.

Bij de keuring hanteerde het leger een systeem dat na de oorlog van de Canadezen was overgenomen. Voor die tijd liep de keuringsarts langs een rij jongemannen, klopte wat op ruggen en borsten, bekeek oren en ogen, voelde her en der wat in onderbroeken en als je lichamelijk in orde was, werd je goedgekeurd. Met als gevolg dat ook alle mafkezen, neuroten, schizofrenen en anderszins geestelijk beperkte jongens de dienst ingingen. Dat maakte echter niets uit. Soldaten moesten een schuttersput kunnen graven en een geweer kunnen afschieten. Na de oorlog werden jongens gekeurd volgens het ABOHZIS systeem waarbij de letters staan voor : algemene fysieke toestand (A), bovenlichaam (B) Onderlichaam en rug (O) horen (H) zien (Z) intelligentie (I) en stabiliteit (S).

Tijdens de keuring hanteerde het leger een waarderingsschaal van 1 t/m 5, waarbij 1 het best was en 5 het slechtst. Het leger had niet alleen behoefte aan rekruten met een ABOHZIS van louter 1, de zogenaamde schone ABOHZIS. Met een score van 2 of 3 kon je ook nog goed functioneren, hoewel niet alle functies meer voor je openstonden. Met Z2 kon je bijvoorbeeld geen jachtvlieger worden en met O2 was een commandotraining ver weg. Als je echter door de ondergrens heen zakte, kreeg je een score van 5 en was het einde keuring.
S5, psychisch instabiel, mocht het dan meest berucht zijn, feit is dat er meer jongens werden afgekeurd wegens onvoldoende intelligentie. In 1978 werd bij 7,4 % bij de keuring met I 5 afgekeurd terwijl slechts 2,4 % met S5 naar huis werd gestuurd.

De keuring

"Ik had mijn haar getoupeerd, droeg bruine bordeelsluipers en een zwarte coltrui. Kleding die normaliter alleen door nichten in donkere kroegen werd gedragen.'' Jeroen Krabbé (keuringsjaar 1962) moet er nog om lachen. Hij wilde niet in dienst. Dan liever S5, wat stond voor geestelijk instabiel en niet geschikt voor het leger. "Vlak voor de keuring had ik een in water opgeloste sigaret opgedronken waardoor ik kotsmisselijk was. Ik gedroeg me labiel en barstte bij alles in huilen uit," zegt Krabbé.

Gemiddeld werden er jaarlijks van de circa honderdduizend gekeurde jongens tussen de drie en vijf procent afgekeurd op S5. De meeste wegens aanpassings- en autoriteitsproblemen, maar ook homoseksualiteit was tot 1974 reden voor S5. "Voor ik het wist zat ik alweer in de trein naar huis," zegt de hoofdredacteur van de Gay Krant, Henk Krol (keuringsjaar 1968). "Als overtuigd antimilitarist wilde ik goedgekeurd worden om daarna alsnog dienst te weigeren.'' Een herkeuring enige tijd later kan Defensie niet op andere gedachten brengen.

Niet vreemd als je het Militair Keuringsreglement uit 1952 bekijkt. Homoseksualiteit werd in die jaren als een ziekte gezien. In dat reglement staat: "Over het algemeen moeten we ons op het standpunt stellen dat de notoire homoseksueel niet in het leger opgenomen moet worden. De moeilijkheid is echter dat men in het algemeen de passieve feminiene homosexueel, die voor zijn omgeving het minst gevaarlijk is, gemakkelijk herkend, terwijl de actieve juist onopgemerkt blijft, wanneer hij niet zelf van zijn afwijking melding maakt, en juist deze moet in de eerste plaats buiten het leger worden gehouden."

Ook Krabbé veinst tijdens zijn keuring bewust latent homoseksuele neigingen, maar spreekt ze niet uit. En als een keurmeester slim opmerkt dat Krabbé op de toneelschool zit , barst hij wederom in huilen uit. Snikkend zegt hij dat de toneelschool de keuze was van zijn moeder en dat hij alles doet wat zijn moeder wil. Jeroen Krabbé: "En toen vroeg die man wat ik dan met mijn leven wilde. Ik antwoordde na enig nadenken: Ik weet het nog niet meneer, misschien iets in de mode."
Simon Assen werkte zevenentwintig jaar bij de Indelingsraad aan de Amsterdamse Sarphatistraat. Hij heeft heel wat keurlingen voorbij zien komen. Zo was er de excentriekeling die gekleed in een lang wit gewaad onverwacht op tafel sprong en zichzelf met veel kabaal als de reïncarnatie van Christus presenteerde. Eenmaal afgevoerd naar de kantine herhaalde hij deze act. Hij kreeg S5. Net als de jongen die opeens als een dolle met volle glazen urinepotten begon te smijten. Assen: "Als je een goed verhaal had en je wist dat vol te houden, dan redde je het wel om onder de dienst uit te komen."
Sinds de opkomstplicht in 1996 werd opgeschort, is dienstplicht binnen Defensie een gesloten boek. Het blijkt onmogelijk voor de organisatie om een overzicht van het aantal S5'ers door de jaren heen boven tafel te krijgen.

Eigen onderzoek levert de volgende cijfers op:
In 1958 werden 86.900 jongens gekeurd. Daarvan werd 3.6 % afgekeurd. In dat zelfde jaar werden 881 jongens tijdens het vervullen van de dienstplicht alsnog wegens psychische problemen op S5 afgekeurd. Dat was destijds 26% van alle afkeuringen.
In 1971 werden 96.000 jongens gekeurd. 5.1 % valt af wegens S5. In de tweede helft van de jaren 70 zie je een duidelijke daling die te verklaren is door de homoseksualiteit uit de S5 te halen. In 1978 worden 113.000 jongens gekeurd . 2.4% krijgt S5. Ter vergelijking, in 1978 wordt 7,4% van de jongens afgeleurd op I 5.

S5 in tweede instantie.

Lex Polman
Zoom
Lex Polman

Jaarlijks moesten circa 45.000 jongens voor hun nummer opkomen; zij waren dus goedgekeurd en moesten echt in dienst. Volgens Michiel van Ormondt, voormalig hoofd Geneeskundige Aangelegenheden Dienstplichtzaken, viel tijdens de diensttijd ruim 14 % van de dienstplichtigen alsnog uit. De meeste wegens het krijgen van een burgerbetrekking of veranderende familieomstandigheden. Een derde van deze groep ontwikkelde tijdens de dienst zulke grote geestelijke problemen dat S5 werd gegeven.

Onder hen Lex Polman (opkomstjaar 1974). Hij deed op de kazerne een zelfmoordpoging. "Ik wilde geen opleiding tot massamoordenaar volgen en wilde een daad stellen waar Defensie geen verweer tegen had." Een goed voorbereide poging dat wel. Maanden eerder had hij bij een bevriende arts geïnformeerd waar in zijn arm hij het beste kon snijden zonder al te veel cruciale aderen en pezen te raken. Twee weken na zijn opkomst in Steenwijk doet hij de zelfmoord poging. "Ik wachtte tot iedereen ging ontbijten, nam een scherp scheermes en maakte halverwege mijn arm een flinke snee. Vervolgens legde ik mijn pioniersschep erop om het bloeden te stelpen. Toen ik mijn kamergenoten hoorde terugkomen, haalde ik mijn schep weg en ging naast mijn bed liggen." De consternatie is groot en het duurt enige tijd voordat Polman wordt verbonden en naar het ziekenhuis gebracht. Volgende halte is de districtspsychiater in Delft die snel doorheeft dat het Polman te doen is om S5 te krijgen. Na twee weken ziekenhuis wordt hij ontslagen uit de dienst. Voorgoed ongeschikt staat er in zijn militair paspoort. Een aantekening waar hij nog steeds trots op is.

Het Militair Neurose Hospitaal

Paul Beers en Henk Bernlef
Zoom
Paul Beers en Henk Bernlef

Op de Utrechtse heuvelrug, op een steenworp afstand van de piramide van Austerlitz, ligt diep in de bossen een zestal gebouwen verscholen. Ouderwetse stenen en houten barakken, waarvan de meeste wel wat onderhoud kunnen gebruiken, liggen her en der verspreid. De staat van de buitenkant verraadt hoe het binnen ruikt. De bedompte geur van een ongelucht huis vermengd met decennia kinderzweetvoeten op verschoten linoleum. De gebouwen zijn een kleine zestig jaar geleden gebouwd om soldaten tijdens de algehele mobilisatie van 1938 onder te brengen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de N.S.K.K, het Nationalsozialistisches Kraftfahrkorps, in de barakken ondergebracht. Na de oorlog verbleven er Canadese soldaten en werden er gerepatrieerden uit de concentratiekampen in ondergebracht. In 1946 besluit het Ministerie van Oorlog in de bossen van Austerlitz het Militair Neurose Hospitaal (MNH) te huisvesten. De plek waar Indië-veteranen kunnen genezen van hun neuroses.

Uit het jaarverslag van 1947 blijkt echter dat maar tien procent van alle patiënten uit Nederlands Indië afkomstig is. Het overgrote deel van de patiënten bestond uit militair administratief personeel dat dwangneurosen ontwikkeld zou hebben als gevolg van de steeds aangroeiende papierwinkel. Het lage aantal percentage Indië-gangers in Austerlitz is te verklaren door de wonderbaarlijke genezing die de meeste neurotici onderweg van Indonesië naar Nederland doormaken. Van de 1258 soldaten die tussen 1947 en 1949 naar Nederland worden gebracht zijn er 1159 bij aankomst genezen. Hierdoor zijn er in drie jaar maar negenennegentig kandidaten voor Austerlitz.

Het jaarverslag van 1951 bevestigt de indruk dat het Militair Neurose Hospitaal een hele andere invulling krijgt dan oorspronkelijk de bedoeling was. Echte oorlogsneurosen komen er nog maar zelden voor. Het grootste deel van de patiënten bestaat nu uit jonge mannen die tijdens hun diensttijd vastlopen op autoriteitsconflicten oftewel overdrachtsneurose. Dit nieuwe soort patiënten heeft invloed op de sfeer binnen het Militair Neurose Hospitaal. Behandelheren hechten groot belang aan een sfeer waarin wantrouwen tegen meerderen of angst voor autoriteiten geen kans krijgen. Naast het verplicht deelnemen aan therapiesessies is er verder geen enkele vorm van dwang. De mannen drinken vooral veel koffie in de kantine.

Henk Bernlef en Paul Beers zaten in 1958 een tijdje samen in het MNH. Beers omdat hij niet opkon tegen de harde masculiene manier waarop mannen in militaire dienst met elkaar omgingen. "Ik was de enige die gestudeerd had," weet Beers nog. "Daarom werd ik gelijk iets leidinggevends. Ik vond dat vreselijk en maakte er een rommeltje van. Daarom moest ik na een paar maanden naar het MNH." Henk Bernlef vindt de dienstplicht onzinnig en probeert er door simulatie onderuit te komen. Zo leest hij tijdens het marcheren hardop voor uit de dichtbundels van Gerrit Achterberg. "Ze riepen de hele tijd dat ik m'n kop moest houden maar ik ging unverfroren door." zegt Bernlef lachend. Als hij vervolgens aan Bert Schierbeek begint, is voor de pelotonscommandant de maat vol. Hij stuurt hem ter observatie naar Austerlitz.

Het leven in Austerlitz was niet onplezierig. De benadering was humaan. De gebruikelijke streberigheid van andere kazernes ontbrak. Van een militaire tucht was geen sprake. Er was voldoende tijd om te lezen en wekelijks gaan Beers en Bernlef op de motor naar Amsterdam om naar jazz te luisteren. "Ik denk dat we hier met zo'n zestig man zaten," weet Henk Bernlef nog. "Negentig procent simuleerde om zo onder de dienst uit te komen. Die overige tien procent waren bedplassers en jongens die leden aan heimwee. Echte gekken zaten hier niet."
Volgens psycholoog Han Blankstein, die tussen 1959 en 1964 als psychotherapeut bij het MNH werkte, was de hele setting van Austerlitz was therapeutisch bedoeld. Er was geen militair oefenprogramma, maar een heleboel verschillende soorten therapieën: groeps- en individuele therapie, arbeidstherapie, muziektherapie en zelfs creatieve therapie. "We deden alsof we aan therapie deden," zegt Henk Bernlef achteraf. Iedere dag klokslag tien uur verscheen de psychiater en kon de groepstherapie beginnen. Het waren vrije groepen, waarbij het uitgangspunt was dat de soldaten moesten aangeven wat hen bezighield. Zelden kwam er iets uit anders dan schelden op de leiding en het militaire apparaat.

Beers en Bernlef moesten na vier maanden weer terug naar hun onderdeel. Beers krijgt drie weken voor het aflopen van zijn diensttijd de gewenste afkeuring. Bernlef krijgt zijn S5 papieren tien dagen nadat hij is afgezwaaid.

Het MNH wordt eind jaren vijftig omgedoopt tot het Herstel en Oefencentrum. De militaire tucht wordt vergroot maar de therapieën blijven. In 1964 besluit Defensie dat het genoeg is. Jaarlijks wordt een grote som geld in een instelling gepompt, bedoeld om een handjevol mannen te reïntegreren in een onderdeel waar ze de rest van hun diensttijd op een luw plekje zullen doorbrengen. Het is goedkoper deze mannen direct af te keuren.

S5 en de maatschappelijke carrière

Han Blankstein
Zoom
Han Blankstein

"Met S5 nam je een stempel mee en dat was in de jaren vijftig en zestig geen erg gunstig stempel." zegt psycholoog Han Blankstein. "Dan was je toch een labiel persoon en een werkgever was daar niet erg happig op." Decennialang zijn jongens bang gemaakt met het verhaal dat S5 een negatief effect zouden hebben op een verdere maatschappelijke carrière. Ambtenaar, leraar of zelfs postbesteller kon je met S5 absoluut niet worden. De verhalen kwamen overtuigend over en werden door Defensie niet actief ontkend, met als gevolg dat de meeste jongens wel uitkeken om op S5 afgekeurd te worden.

En zoals vaak zat er wel een kern van waarheid in het verhaal. Bij sollicitaties in de jaren vijftig tot en met tachtig van de vorige eeuw werd vaak gevraagd of de dienstplicht was voldaan, en zo nee, waarom niet? Als mannen weigerden openheid te geven over hun diensttijd ging de personeelsfunctionaris er in veel gevallen van uit dat er S5 in het spel was. Afhankelijk van hoeveel waarde hij hieraan hechtte kon dat tot afwijzing leiden. Het is echter lastig aan te geven of de sollicitant niet werd aangenomen door de S5 of omdat een andere kandidaat gewoon beter was.

Zo werd Lex Polman vrij snel na zijn S5, zonder opgaaf van reden afgewezen voor een positie bij de PTT, terwijl een andere S5'er Adriaan Bontebal, een vertrouwenspositie bij diezelfde PTT kreeg. Andere S5'ers gingen werken bij de Belastingen, in het onderwijs en bij andere overheidsinstellingen. Jan Winkelhuijzen trad na zijn diensttijd in dienst bij een groot accountantskantoor en moest in de loop van de jaren honderden sollicitatiegesprekken voeren. Nooit nam hij iemand aan die S5 had of schimmig deed over zijn diensttijd. "Omdat mensen met S5 gedragingen vertonen die lastig zijn in een grote organisatie." Navraag bij Defensie en Binnenlandse Zaken heeft geen bewijs opgeleverd van de stelling dat S5 slecht zou zijn voor je carrière. Ook het voormalige hoofd van de afdeling Geneeskundige Aangelegenheden Dienstplichtzaken, Michiel van Ormondt, is heel stellig in zijn bewering dat er vanuit het Ministerie nooit een oekaze (dienstbevel) is uitgegaan dat S5'ers niet aangenomen mochten worden. De soldatenvakbond VVDM deed in de jaren zeventig en tachtig onderzoek naar het verhaal, maar heeft nooit keihard bewijs boven water gekregen.

Zo kreeg Henk Krol een hoge functie als woordvoerder van Hans Wiegel in Den Haag en werd Lex Polman na zijn afkeuring docent. Met S5 was een betrekking als ambtenaar zeker niet uitgesloten. Bij sommige bedrijven was S5 voldoende reden was om iemand niet aan te nemen,
bij andere beroepen was S5 een pré. Vooral onder beoefenaars van vrije beroepen, als kunstenaars, wetenschappers, welzijnswerkers en journalisten, is S5 oververtegenwoordigd.

Krabbé is nog trots op zijn S5 en beschouwt zijn optreden bij de keuring als zijn eerste grote rol. Henk Bernlef verkondigt met grote tevredenheid dat hij van onaangepastheid zijn beroep heeft gemaakt.

Research: Carolien Brugsma
Tekst en regie: Hein Hoffmann

Literatuur

* H. Lamberts, Een psychosociaal, anthropometrisch en arbeidsfysiologisch profiel van gewone en van geestelijk niet-stabiele dienstplichtigen.(Rotterdam 1969)
* J.M.C. Ausems-Habes, De S van stabiliteit en seksualiteit, in Tijdschrift Psychologie, (5-1988)
* Jack Oosthoek , “De meesten wilden er best wat van maken”, in Legerkoerier, 1995 nummer 12,
* J.M. Toppinga, De S-5 problematiek in de krijgsmacht, in Nederlands Militair geneeskundig Tijdschrift, T33 1-50 februari 1980
* Aanwijzingen voor de toepassing van het Militair Keuringsreglement tevens regelende de classificatie volgens het ABOHZIS-systeem, 1952
* Het dienstplicht-, vrijstellings- en uitstelbeleid, Tweede kamer der Staten Generaal, zitting 1977, 14336, nr.4
* Brief van de staatssecretaris van Defensie aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, zitting 1978-1979, 15300 hoofdstuk X, nr.18
* Stef Scagliola, Met tropenkolder in de polder, in Oost west, thuis best (Veteraneninstituut Doorn) p. 66-72.
* J. Bernlef, Onder de bomen, (Amsterdam 1963)
* Ger Verrips, Zorg dat je een gekkenbriefje krijgt (Amsterdam 1976)
* Theo Kars, de eerste trein na half zes (Amsterdam 1976)

Bronnen

M. van Ormondt, destijds hoofd Geneeskundige Aangelegenheden Dienstplichtzaken

S. Assen, destijds medewerker Indelingsraad Amsterdam

H. Blankstein, destijds psychotherapeut Herstel en Oefencentrum Austerlitz

Archief:
Instituut voor Beeld en Geluid
Nederlands Instituut voor Militaire Historie
Instituut voor Sociale Geschiedenis (VVDM archief)
Centraal Archievendepot Ministerie van Defensie

reacties