Ramp met de Berlin

  • 17.11.2010
Bron: Maritiem Museum
Vergroten
Bron: Maritiem Museum

Een volle eeuw geleden verongelukte een veerboot voor Hoek van Holland, de Berlin. Van redden kwam weinig terecht, al stond Prins Hendrik vooraan. Er vielen 128 slachtoffers. In Andere Tijden een reconstructie, zelfs met filmbeelden, van een ramp die de natie schokte. Donderdag, om vijf voor half tien.

Met een snelheid van zeventien mijl doorsneed het fraai gelijnde passagiersschip de hoge Noordzeegolven. Haar flanken hadden vele malen al de aanvallen van wreed gemarmerd water afgeslagen, wanneer zij lenig voortijlde. Ruim twaalf jaar al ploegde zij dit wispelturige water – geen ander spoor achterlatend dan een brede, lichte baan, door haar schroeven opgeklopt. (In: Barend Maaskant, De Koperen Helm)

Het is de nacht van 20 op 21 februari 1907. De bijna honderd meter lange stoomboot de SS Berlin vaart de haar zo bekende route van Harwich naar Hoek van Holland. Ondanks een aanzwellende noordwesterstorm lijkt de Engelse kapitein Precious het schip goed onder controle te hebben. De Berlin staat te boek als stabiel en de kapitein is een ervaren rot in het vak. Aan boord van de Berlin is, naast de Engelse bemanning, een internationaal gezelschap van fabrikanten, zakenlieden en andere gegoede burgers aanwezig. De Amsterdamse kleermaker Lasance bijvoorbeeld, die stoffen heeft ingekocht in Engeland en huiswaarts keert voor de verjaardag van zijn jongste zoontje. Hendrik-Jan Spijker, een van de oprichters van de bekende automobielfabriek, is met zijn zakenpartner op de terugreis naar Nederland. Een Duits operagezelschap is na een tournee in Londen op weg naar hun families. En dan is er ook nog een vijfjarig jongetje in een matrozenpakje. August Hirsch reist onder begeleiding van steward John Moor via Nederland naar Duitsland, waar zijn vader hem van de trein zal halen. Michael Kelly, een neef van August Hirsch: “Hij werd naar de Berlin gebracht door zijn grootmoeder, die in Brightonshire woonde. Ze ontmoette hem in Londen, en nam hem in de trein mee naar Harwich, waar ze hem aan de zorg van John Moor toevertrouwde.’

Alle opvarenden gaan ervan uit dat ieder weer zijn eigen weg zal gaan wanneer het schip in de haven van Hoek van Holland aanmeert. Maar het loopt anders. De Berlin vaart die nacht zijn noodlot tegemoet.

Ramp aan de Hoek

Het achterschip

(Maritiem Museum)
Zoom
Het achterschip (Maritiem Museum)

Vuurpijlen vanaf het voorschip

In Hoek van Holland wordt die morgen de komst van de Berlin afgewacht. Kapitein Precious is een man van de klok, en daarom wekt het enige verbazing dat het schip vertraging heeft opgelopen. De weersomstandigheden sturen zijn schema in de war. Hoekenaar Piet Heijstek van het Reddingsmuseum ‘Jan Lels’ vertelt: “Het was ’s nachts echt stormweer, ik weet dat de storm om een uur of vier echt op zijn hoogtepunt was. De houten huisjes bij de haven hadden het zwaar te verduren. De tuinhekjes gingen klepperen en de dakpannen ratelden eraf.”

Na een woelige reis zien de passagiers, voor zover zij niet ziek in hun kooien liggen, de vuurtoren van Hoek van Holland opdoemen. Bij de seinpost hebben zich Hoekers verzameld, die de Berlin in de peiling krijgen. Ook de vader van Piet Heijstek is erbij. Hij woont als twaalfjarig jongetje twee kilometer van de plek van de ramp. De toeschouwers zien dat de kapitein moeite heeft om het schip op koers te houden als het schip de mond van de Nieuwe Waterweg binnenvaart. Heijstek: “De Berlin liep bij donker binnen. Op dat tijdstip zag je alleen maar de lichtflitsen van het lichtschip Maas, de flits van het vuurtorentje op het Noorderhoofd, en de navigatielichten van het binnenkomende schip. Het schip kwam als een waggelende eend naar binnen, omdat het steeds verzet werd door tij en golven.” De Berlin wijkt steeds meer af van de zogenaamde honderd graden lichtlijn die aangehouden moet worden. De mensen aan wal zien opeens de bakboordlichten van het schip, en beseffen dat er iets goed mis moet zijn.

De stroming en de wind dwingen het schip richting de kop van de pier. De Berlin is onbestuurbaar geworden en de passagiers zijn overgeleverd aan de grillen van het water. Kapitein Frank Haalmeijer, die vandaag de dag dagelijks met de Stena Line van Hoek van Holland naar Harwich vaart, schetst de situatie: “De wind kwam uit het noordwesten en blies dus van achteren tegen het schip. Vanwege de ondiepte dichter bij de kust krijg je grondzeeën. Dan wordt het achterschip weggezet, naar stuurboord toe. Toen ze dat eenmaal zagen waren ze al zo dicht bij de Noorderpier..ze hebben geprobeerd een gevaarlijke situatie te voorkomen en roer te geven, vol vermogen, om te proberen zo toch op de rivier te komen. Dat was te laat. Het achterschip draaide naar de Noorderpier toe. En dan doet de wind de rest. Die drukt ‘m er zo tegenaan. Het is gewoon in het midden tegen die pier aangekomen, het slechtste punt natuurlijk.” Door de klap worden kapitein Precious en loods Bronder, die op de brug staan, meteen overboord geslagen. Ook andere passagiers die geen houvast hebben, verdwijnen in zee.

De uren die volgen zijn voor zowel de toeschouwers als de passagiers angstig. Vanaf het schip worden vuurpijlen afgeschoten. Op de Berlin is geen enkele plek meer veilig. Het schip is door de aanvaring met de basalten pier ernstig verzwakt. De elektriciteit valt uit. Anderhalf uur nadat het op de pier gevaren is, bezwijkt het schip. Heijstek: “De meeste mensen maakten de verkeerde keuze. Ze gingen niet naar het achterschip, want dat was afgezakt. Ze dachten dat dat zo de diepte in zou zinken. In plaats daarvan liepen ze naar het voorschip. Maar juist het voorschip, dat aanvankelijk hoog boven het water uitstak, schoot de diepte in. En het sleurde de mensen die erop stonden mee.”

Binnen twintig minuten nadat het schip op de pier is beland, vaart de stoomreddingsboot President van Heel uit. De boot probeert in de buurt van het voorschip te komen door een dreganker uit te werpen. De ankertros breekt. De reddingsboot keert onverrichterzake terug. Heijstek: “De mensen die bij de semafoor stonden, zagen de dansende lichtjes van de President van Heel, de reddingsboot die naar buiten ging onder leiding van schipper Jansen. Ze zagen ook dat de boot weer terugkeerde, zonder vlag in top. Er waren geen mensen gered.” Vanaf de wal is te zien dat de golven over het gekluisterde schip heen breken. Als het voorschip zinkt, is er geen reddingsboot in de buurt. De eerste dag gaat de reddingsboot verschillende keren op weg naar het schip, maar van redden komt niet veel. In het water is geen levende ziel meer te bekennen. Het enige dat de bemanning van de President van Heel kan doen, is het oppikken van lijken. Er zijn loodsen die proberen de dam op te klimmen, maar zij zien dat het onbegonnen werk is. De zeeën lopen te hoog over de dam heen en de omstandigheden zijn voor de redders te gevaarlijk. Pisuisse tekent uit de mond van schipper Jansen op: “God, meneer, dat krankzinnige gegil dat gaat je door merg en been, en maakt je gek bij de gedachte dat je er toch maar machteloos tegenover staat. Je mag nou eenmaal geen mensenlevens met mensenlevens kopen.”

Het schouwspel maakt indruk op de vader van Piet Heijstek: “Het gekrijs kon hij, net als de mensen die bij de semafoor stonden, horen boven het geknetter van de branding uit. Het ging door merg en been. Als er later een noordwester storm woedde in de hoek, hoorde hij de noodkreten van de mensen op de Berlin weer.” De mensen die in het water liggen hebben geen schijn van kans. Heijstek: “Die basaltkeien, dat overleef je niet, en dan waren er ook nog de kou en de uitputting. Stokers die daar op het achterdek zaten, en in hun overalletje op het dek terecht kwamen. Zeewater van pakweg vier graden, en af en toe sneeuwjachten die over het schip heensloegen.”

Naar de plek des onheils

Jean-Louis Pisuisse
Zoom
Jean-Louis Pisuisse

Met de trein naar de ramp

In Hoek van Holland zingt het nieuws van de scheepsramp rond. Maar ook in de rest van Nederland verspreidt het nieuws zich als een olievlek. Op de redactie van het Algemeen Handelsblad in Amsterdam komt er om half tien een telegram binnen over het op de pier gestrande schip. Jean-Louis Pisuisse, de latere chansonnier die dan nog een eenvoudig journalist is, spoedt zich per trein via Den Haag naar Hoek van Holland om met eigen ogen te zien wat er zich daar afspeelt. In zijn verslag beschrijft hij zijn opwinding: "Die trein naar de Hoek leek mij veel te langzaam te gaan. Popelend van ongeduld zat ik aan elk station seconden te tellen en altijd leek het of de trein veel langer stopte dan noodzakelijk was." Pisuisse is niet de enige die belangstelling toont voor de ramp. Over de treinreis vertelt hij: "Er is onder de passagiers een pretstemming, alsof ze naar de kermis op weg zijn. Je hoort ze in de volle bagagewagens stampen en zingen. Er wordt gepraat over het ongeluk: wat er al van bekend is, hoe het moet zijn gebeurd, hoeveel lijken er al zijn aangebracht..."

Marie-Louise Schulte, de kleindochter van Louis Lasance, vertelt hoe haar grootmoeder het nieuws over de Berlin hoort: "Vlakbij het huis van mijn grootouders was een tijdschriftenzaakje. Daar hadden ze een leitje waarop belangrijke dingen werden geschreven. Toen kwam er iemand naar de familie toe die zei: 'Weten jullie dat de Berlin vergaan is? Daar zit toch Louis op?' Op dat moment kreeg mijn grootmoeder te horen wat er aan de hand was."

Na een reis van ruim drie uur komt Pisuisse in Hoek van Holland aan. Al snel blijkt dat er, naast wrakhout en postzakken, lijken zijn aangespoeld. Pisuisse doet verslag: "Nu en dan zag men op het strand een groepje mensen samenscholen om een donkere figuur die neergestrekt lag op het bleke zand. Dan holden de nieuwsgierigen bij tien- en twintigtallen daarheen, onbegrijpelijk belust op een luguber schouwspel: dan was er weer een lijk aangespoeld." In korte tijd spoelen 26 lijken aan: 21 mannen, 4 vrouwen en het kleine jongetje August Hirsch. Pisuisse ziet het lichaam van Hirsch in de loods van de Holland Amerikalijn, waar alle doden worden verzameld, liggen. "Een knaapje van vijf jaar dat in zijn matrozenpakje was komen aandrijven, lag er nu op de dodenbank zo lieftallig in 't wit met zwarte krulletjes, nog nat van het wassen." Michael Kelly, de neef van het jongetje Hirsch: "Hij werd gevonden in de armen van de steward. Mijn grootmoeder vertelde me dat hij een van de weinigen was wiens gezicht niet door de rotsen was vermorzeld. Hij zag eruit alsof hij rustig was gaan slapen."

De redders

De redders in hun boot
Zoom
De redders in hun boot

Dappere pogingen van bescheiden bonken

Op die eerste dag wordt uiteindelijk één man gered, kapitein Parkinson. Hij was met de Berlin op weg naar Amsterdam, waar hij het bevel zou gaan voeren over het stoomschip Myrmidon. Bij het breken van de boot is hij overboord geslagen door een stortzee. Met dank aan zijn zwemgordel weet hij boven water te komen. In Pisuisse lezen we: “Eerst trachtte ik, zo vertelde de heer Parkinson, een groot stuk wrakhout te bereiken, maar dat lukte me niet. Zee na zee sloeg me over het hoofd. Een tweede maal zag ik weer iets in mijn nabijheid. Ik slaagde erin het te bereiken en het te grijpen. Het was een lijk, drijvend met het hoofd en de ledematen onder water. Toen ik dat had losgelaten, zocht ik weer iets anders, en ik slaagde erin een stuk hout te grijpen. (..) Toen kwam daar opeens de reddingsboot. Zij staken me een bootshaak toe, die ik greep, en daarna trokken ze me met beide handen aan boord. Nog juist bijtijds.” Parkinson wordt naar Hotel Amerika gebracht, waar hij wordt verzorgd door zusters uit de Hoek.

De andere mensen die van boord zijn geslagen of zijn meegesleurd met het voorschip, zijn reddeloos verloren. Het water is ijskoud en door de golven worden ze herhaaldelijk tegen de keien aan gesmeten. Maar voor een tiental mensen is er nog hoop. Zij zitten op het achterschip, en proberen tegen de wand van de rooksalon beschutting te zoeken tegen de stortzeeën. Ze kunnen niets anders doen dan wachten.

Na de mislukte reddingspoging van het stoomschip de President van Heel maken de loodsleerlingen plannen om met hun jol naar het wrak te gaan zodra het weer dat toelaat. Als Pisuisse zijn bewondering over dit voornemen uit, zegt een van de mannen: “Daar is niks heldhaftigs aan meneer, ’t is zuiver menselijk. Als je zelf het geschreeuw van al die mensen had gehoord, dan rustte je ook niet uit voor je tenminste had geprobeerd ze eraf te krijgen, al had je je leven lang geen riem in je handen en geen oliejas om je lijf gehad.”

De pelsjas van Prins Hendrik

Zoom

Koninklijke hulp in de Hoek

Iedereen in de Hoekse gemeenschap is op een of andere manier bezig met de ramp. De een wast de lichamen van de doden, de ander speurt het strand af, op zoek naar lichamen. De grootmoeder van Heijstek legt lijken af in de loods, terwijl zijn grootvader met een jol het water opgaat om naar lijken of overlevenden te zoeken. En dan zijn er natuurlijk de mannen waarop iedereen zijn hoop heeft gevestigd: de redders. Alle Hoekers kennen de mannen die naar het schip uit zullen varen in een poging de handvol passagiers die op het achterschip zijn achtergebleven, te redden.

Een dag en een nacht al hangt het achterschip op de pier als wordt aangekondigd dat Prins Hendrik een bezoek aan Hoek van Holland zal brengen. Gekleed in zijn generaalsuniform wordt de prins op 22 februari door de burgemeester van ’s-Gravenzande (de gemeente waar Hoek van Holland onder valt) verwelkomd. De interesse van Prins Hendrik voor de ramp komt volgens Cees Fasseur, historicus en biograaf van koningin Wilhelmina, niet uit de lucht vallen: “Hij zat in Den Haag en ik denk dat hij gewoon, net als veel Nederlanders in die dagen, uit pure nieuwsgierigheid naar de Hoek is gegaan. Verder was Hendrik wel geïnteresseerd in het water, om het zo te zeggen. Hij had namelijk een broer, Friedrich Wilhelm, die bij de Duitse Kriegsmarine diende. Deze Friedrich is in 1897 door een jammerlijke manoeuvre met zijn bootje gekapseisd op de Elbe en daar verdronken. Dus het lot van de mensen in de Hoek die met de verdrinkinsdood werden bedreigd, moet Hendrik hebben aangesproken.” Prins Hendrik begint zijn bezoek aan Hoek van Holland in het mortuarium, vertelt Piet Heijstek: “Hij stelde zich daar op de hoogte van de slachtoffers die daar lagen. Daarna is hij naar Hotel Amerika gegaan, en heeft hij daar met de overlevenden gesproken, onder wie kapitein Parkinson, de enige overlevende die aan wal was gekomen. Hij heeft de mensen toegesproken vanaf het balkonnetje van Hotel Amerika. Het betekende dat de mensen een hart onder de riem gestoken werd. ”

Na dit ziekenbezoek scheept Hendrik zich in op het stoomloodsvaartuig de Hellevoetsluis.
De aanwezigheid van Prins Hendrik geeft de redders vleugels. Ze zijn koud tot op het bot, maar gaan steeds naar buiten om te kijken of de kansen zijn gekeerd. Fasseur: “Zijn enkele aanwezigheid was voor het eenvoudige vissersvolk van Hoek van Holland en ’s-Gravenzande een enorme opsteker, het feit dat de prins persoonlijk belangstelling toonde voor hun werk moet die mensen enorm hebben aangemoedigd.” Ook Jean-Louis Pisuisse voelt dat er iets in de lucht hangt: “Thans, onder het oog van de prins, zou het erom gaan: nu of nooit!”

Om een uur ’s middags vaart de reddingsboot President van Heel opnieuw uit, gevolgd door de Hellevoetsluis. Een reddingsboot en een sloep volgen. De twee grootste boten moeten ‘lei’ maken, dat wil zeggen dat ze evenwijdig aan de dam het anker uitgooiden, zodat het water tussen de boten en het stenen hoofd van de pier kalmer zou worden. De loodsleerlingen in de jol doen een poging het schip te bereiken. Klaas Ree, de jongste van het stel, knoopt een touw dat aan de jol is bevestigd om zijn middel. Hij weet de pier te bereiken. Ree gaat op een van de bakens zitten. De andere loodsleerlingen volgen zijn voorbeeld. Terwijl ze elkaar stevig vasthouden, gaan ze voetje voor voetje, dwars door een sneeuwstorm, naar het schip. Na alle tegenslag hebben de redders eindelijk een gelukje: één van de trossen van de Berlin hangt precies hun richting op. Eén van de mannen weet de tros te grijpen. Er wordt een touw aan bevestigd dat aan de andere kant aan een paal van de pier wordt vastgemaakt. Het lukt tien van de opvarenden om zich langs het touw naar beneden te laten glijden. De reddingsboot staat klaar om de opvarenden naar de wal te brengen. Hendrik neemt zijn rol serieus volgens Fasseur: “Hendrik heeft zijn uniformjas uitgetrokken en die om de schouders van een verkleumde drenkelinge geslagen. Dat verhaal, van de prins die z’n jas uittrok om die als een soort Sint Maarten om de schouders van een van de drenkelingen te slaan, dat heeft de wereldpers gehaald.” Als Prins Hendrik aan wal gaat, wordt hij met gejuich begroet. ‘Hoera! Leve de prins!’ klinkt het in de Hoek.

Twee dames van het Duitse operagezelschap, Frau Wennberg en Frau Theile, en Wennbergs dienstmeid Mina Ripler, durven het niet aan om naar de pier af te dalen. Het dochtertje van Wennberg is niet bestand gebleken tegen de extreme omstandigheden, en is gestorven, op haar moeders schoot. De drie vrouwen blijven jammerend op het schip achter: omdat het vloed wordt moeten de redders terugkeren. De volgende dag zullen ze uit deze penibele positie worden bevrijd
door de vier redders van de sleepboot Wodan: Martijn Sperling, zijn neven Leendert en Cornelis Sparling, en George Moerkerk. Na een reddingsoperatie van 72 uur staan de laatste levenden aan wal. Het gaat nu nog om de zorg voor de doden.

Verdienen aan de ramp

De doden worden aan wal getild
Zoom
De doden worden aan wal getild

Voor een gulden naar het wrak

De scheepsramp zorgt in de Hoek voor een grote bedrijvigheid. Niet alleen de pers is toegestroomd, ook de inwoners van de Hoek proberen zich nuttig te maken. De lijken worden van het wrak afgehaald. Heijstek vertelt: “Ze hebben de 25 ontzielde lichamen van het achterschip gehaald. En die hebben ze op de lorrie gestapeld, de ene keer met het hoofd naar het zuiden, dan met het hoofd naar het noorden. Op de wal stond een boerenwagen klaar waarin de lichamen overgedragen werden naar het mortuarium, naar de fruitloods.”

De rijkdom van de meeste opvarenden van de Berlin staat in schril contrast met de eenvoud van het leven in de Hoek. Veel mensen leven er in armoede, in simpele huisjes. Het werk ligt niet voor het oprapen. Heijstek weet van zijn vader hoe de Hoekers reageerden op de ramp: “Een schip op het strand, betekende brood op de plank. Dingen die aanspoelden waren een godsgeschenk. De mensen hebben echt wat kunnen verdienen aan de Berlin. Niet alleen mijn grootvader, die lijken aan wal bracht. Ook de Hoekse huismoeders die moesten werken in het mortuarium om de boel schoon te houden en om koffie te zetten.” Grootvader Heijstek bijvoorbeeld, verdient 6 gulden met het aan wal brengen van lijken. Een aardig bedrag voor die tijd, ware het niet dat hij zijn gezondheid ermee op het spel zet. De stoomtimmerfabriek Soeteman heeft het beter voor elkaar: door de plotseling grote vraag naar doodskisten kunnen ze de prijs flink opstuwen.

De Engelse en Duitse regering sturen afgevaardigden om de patiënten in Hotel Amerika bloemen te brengen. Op de beurs van Amsterdam wordt een inzamelingsactie gehouden, waar in eerste instantie liefst 11.000 gulden wordt opgehaald. Helaas is niet alle betrokkenheid bij de ramp uit goedheid geboren. Pisuisse haalt een ingezonden stuk in de Nieuwe Rotterdam Courant aan, waarin iemand het volgende beschrijft: “Toen ik langs het strand wandelde, gebeurden daar allerlei dingen die me met afgrijzen vervulden. Zodra er een lijk was aangespoeld, wierpen strandjutters zich als gieren op hun prooi. Ze rukten de ringen van de vingers, en ontnamen geld en horloge.” Pisuisse weet niet wat hij ervan moet geloven. Op last van het Ministerie van Justitie wordt een onderzoek ingesteld, en de plundering wordt niet bewezen geacht. Maar de geruchten zijn hardnekkig.

Van een andere orde is het ramptoerisme dat twee dagen na de ramp op gang komt. In de Westlandse Courant wordt ermee geadverteerd: voor een gulden kan men het wrak van de Berlin bezoeken. Een flink bedrag voor die tijd, zeker gezien het feit dat de mannen die de doodskisten in elkaar timmeren, daar 20 cent per uur mee verdienen. Aan het strand worden verrekijkers verhuurd. De ‘dagjesmensen’, zoals Pisuisse ze noemt, hebben een merkwaardig soort belangstelling voor de ramp: “Ze keken naar het aangespoelde wrakhout op het strand, naar de trommels, dozen en bussen, griezelend door het idee dat ze ook wel eens een lijk zouden kunnen vinden, en trokken dan in een knusse stemming van ‘dat hebben we ook weer gezien’ naar het dorp terug, waar de wachtkamers zich vulden met een ware kermisroezemoes.”

Epiloog

De trouwring van Louis Lasance
Zoom
De trouwring van Louis Lasance

De zee geeft, de zee neemt

Op de vijfde dag na de ramp wordt een deel van de slachtoffers begraven in 's-Gravenzande. Het is een nevelige maandagmorgen, en het landschap stemt overeen met de trieste stemming van de rouwstoet. Pisuisse is ooggetuige: "Hooggebeurd op de schouders van stoere werklieden werden de kisten uitgedragen. Achter die van de bekende lijken gingen de weinige rouwdragers: een snikkende grijze vader; een echtgenoot, geknakt onder het grievende leed; een verloofde, die het gelaat in de handen verborg. En achter het onbekende lijk volgden de vertegenwoordigers der gemeente en van de verschillende maatschappijen. Daar weer achter ging een deputatie uit het loodswezen, en dan volgde schipper Janssen met zijn mannen. Het was zo vreemd om die kranige zuidwesterkoppen nu onder hoge, ouderwetse rouwhoeden te zien!" Op de begraafplaats is een grote vierkante kuil gedolven. Ook August Hirsch wordt hier begraven. Op zijn kist ligt een handvol witte seringen.

De lichamen van de omgekomen bemanning worden naar Engeland vervoerd om daar begraven te worden. Op de begraafplaats van Dovercourt, nabij Harwich, worden kapitein Precious en John Moor, de begeleider van August Hirsch, begraven. In Dovercourt wordt Moor als een held geëerd. Ook prins Hendrik wordt bejubeld door zijn aandeel in de reddingsoperatie. Fasseur: "Hij werd door de keizer ontvangen in Berlijn, waar hij voor de zoveelste keer het verhaal van de ramp en zijn eigen optreden mocht vertellen. Hendrik reisde half Europa af om dat verhaal telkens te doen." Ook de echte helden van de zee, de redders van de Berlin, worden onderscheiden.

De ramp lijkt na de begrafenis verleden tijd. Voor veel mensen is het dat ook. Het leven in de Hoek gaat door. Maar in het leven van de families van sommige opvarenden overheerst de onrust. Er zijn in de week na de ramp 65 lichamen aangespoeld, wat betekent dat er nog bijna even veel zich ergens in het water bevinden. Ook het stoffelijk overschot van de kleermaker Lasance is nog altijd niet gevonden. Kleindochter Marie-Louise Schulte: "Mijn grootmoeder had een grote devotie tot de heilige Antonius, de beschermer van het verlorene. Ze heeft gebeden dat ze een teken mocht hebben dat hij overleden was." Het onmogelijke gebeurt. In november 1907 wordt de Berlin opgeblazen, in een poging het schip te bergen. Daarna spoelen tientallen lijken aan, waaronder dat van Louis Lasance. "Toen is de oudste broer van mijn grootvader naar 's-Gravenzande gegaan, en heeft hem aan zijn kledingstukken geïdentificeerd. De ring was er niet, want mijn grootvader miste de arm waar zijn ring aanzat. Weer enige tijd later, dat is het wonderlijke, heeft een soldaat die wacht liep op de pier de trouwring gevonden."

De ramp met de Berlin is aanleiding voor een discussie over veiligheid op zee. Er wordt een staatscommissie benoemd onder voorzitterschap van Prins Hendrik, die zich gaat richten op het verbeteren van het reddingswezen bij de havenmonden van Hoek van Holland en IJmuiden. Vijf jaar na de 'vergeten' scheepsramp met de Berlin vindt er een ramp plaats die ervoor zorgt dat er in heel Europa meer aandacht komt voor gevaarlijke situaties op zee. Na het vergaan van de 'onzinkbare' Titanic, wordt de internationale conventie Safety of Life at Sea (SOLAS) in het leven geroepen.

Ondanks deze maatregelen blijft het Noorderhoofd een gevaarlijke plaats voor binnenkomende schepen. Na de Berlin zullen er nog vele boten hun zeegraf vinden. Maar de ramp met de 'Hollandse Titanic' is gegraveerd in het collectieve geheugen van de Hoekse gemeenschap. Zo ook bij de vader van Piet Heijstek: "Hij heeft vanuit zijn huis menig schip zien stranden, ook bij het Noorderhoofd. Dan zei hij: zo erg als bij de Berlin, zo erg kan het niet zijn. Want bij de Berlin zijn zoveel mensenlevens verloren gegaan. Dit schip, ach, dat halen ze er wel weer af." De ramp met de Berlin gaat de geschiedenis in als de grootste scheepsramp die in de twintigste eeuw in vredestijd plaatsvond voor de Nederlandse kust.

Tekst: Stephanie Sint Nicolaas
Research: Carolien Brugsma en Stephanie Sint Nicolaas
Regie en samenstelling: Matthijs Cats

Bronnen

Geïnterviewden:
Jean Carter
Michael Kelly
Sheila Kelly
David Johns
Piet Heijstek
Marie-Louise Schulte
Frank Haalmeijer
Cees Fasseur

De filmbeelden The "Hook of Holland" disaster with the SS Berlin 1907 komen uit het British Film Institute (BFI)

Muziekgegevens:
- Fantasia on a theme by Thomas Tallis, London Philharmonic Orchestra, o.l.v. Sir Adrian Boult
- Eternal Father, Strong to Save, St. Johns College Choir Cambridge
- Que ne suis-je la fougère, André Blot

Met dank aan:
Klaus-Ulrich Keubke
Historisch archief Westland
Maritiem Museum Rotterdam
Reddingsmuseum Jan Lels, Hoek van Holland

De redactie heeft zich uitvoerige moeite getroost alle rechthebbenden te achterhalen. Indien u meent toch aanspraken te kunnen maken op rechten inzake audio-visueel materiaal, neemt u dan contact op met de redactie van Andere Tijden: redactie.at@vpro.nl

Literatuur

Cees Fasseur, Wilhelmina. De jonge koningin (Amsterdam 1998)

Barend Maaskant, De koperen helm (Amsterdam 1956)

Jean-Louis Pisuisse, De Schipbreuk van de 'Berlin'. Volledig verhaal van de scheepsramp aan den Hoek van Holland (Amsterdam 1907)

reacties